Staatssteun kan legaal zijn als hij voldoet aan de vereisten van artikel 106, lid 2, de zogenaamde "netto-extra-kostentest". De EU-Commissie is van mening dat dergelijke staatssteun verenigbaar met het Verdrag kan worden verklaard als de staatssteun noodzakelijk is voor de werking van de diensten van algemeen economisch belang (DAEB's).

 

Het hoofdprincipe van deze test is dat het bedrag van de vergoeding niet hoger mag zijn dan nodig is om de kosten te dekken die zijn gemaakt bij het vervullen van de openbaredienstverplichtingen, rekening houdend met de relevante inkomsten en redelijke winst voor het nakomen van die verplichtingen. De in aanmerking te nemen kosten zijn alle kosten in verband met de werking van de DAEB.

 

De EU-Commissie heeft deze aanpak al toegepast in haar RAI-besluit (PB (L) 119/1 van 23.4.2004), die gedetailleerde berekeningen omvatte, waaronder meervoudige regressieanalyses. De conclusie van de Commissie was dat maatregelen geen staatssteun vormen als "[zij] RAI compenseren voor de netto extra kosten voor het uitvoeren van de algemene diensttaak toevertrouwd aan [...]."

 

De moeilijkheid ligt in het identificeren van activiteiten die bijdragen aan het aanbieden van openbare diensten en die dat niet doen. Een onderneming zo groot als RAI levert uiteraard niet alleen openbare diensten, maar runt ook enkele bedrijven die vergelijkbaar zijn met die van particuliere concurrenten. Berekeningen zijn vooral gecompliceerd door de noodzaak om de gemaakte kosten te verdelen en de steun die wordt ontvangen door de andere activiteiten. Verschillende benaderingen van kostentoewijzing kunnen aanzienlijk verschillende resultaten opleveren (de toereikende toewijzing van vaste kosten kan hier als voorbeeld volstaan). Daarom moet elke evaluatie, toewijzing en berekening volgens het concept van de netto aanvullende kostentest worden ondersteund door grondige en redelijke economische interpretaties.